De Franse taal en diplomatie [fr]

Vertaling van de toespraak van Jean-Michel GAUSSOT, Ambassadeur van Frankrijk in Den Haag « de Franse taal en de diplomatie »
Lyceum Vincent Van Gogh, 4 april 2008

"Ik zal beginnen met een tamelijk positieve constatering: de Franse taal behoort samen met het Engels, Chinees, Arabisch, Russisch en het Spaans tot de zes officiële talen van de Verenigde Naties. Maar het is ook één van de twee werktalen van het VN-Secretariaat en andere VN-instellingen. Twee van die VN-instellingen zijn in Den Haag gevestigd: het Internationaal Gerechtshof, dat de belangrijkste gerechtelijke instelling van de Verenigde Naties is die geschillen tussen staten beslecht, en het Joegoslavië-tribunaal dat werd opgericht naar aanleiding van een VN-Resolutie. Deze twee rechtbanken hebben dus twee werktalen: Engels en Frans. Het onderscheid tussen officiële taal en werktaal is belangrijk want in principe geeft de status “werktaal” de mogelijkheid deze taal dagelijks op het werk in de instelling te gebruiken tijdens informele bijeenkomsten, gesprekken, schriftelijke uitwisselingen etc. De status van “officiële taal” daarentegen vereist enkel een tolk tijdens officiële bijeenkomsten en de vertaling van alleen de officiële documenten.

Het is waar dat in de praktijk het gebruik van de Franse taal binnen de VN aanmerkelijk verschilt naargelang de VN-instellingen en onze taal heeft in internationale betrekkingen moeite om zijn positie te behouden tegenover de groeiende overheersing van het Engels. Zo wordt in Den Haag het Frans maar zelden door het personeel van het Joegoslavië-tribunaal gebruikt in hun dagelijkse contacten. Bovendien vergt de vertaling van de ene taal naar de andere (meestal van het Engels naar het Frans) ontzettend veel tijd. Bij het Internationaal Gerechtshof echter wordt alles op het gebied van deze internationale rechtspraak echt tweetalig uitgevoerd.

Maar voordat ik de huidige situatie schets, lijkt het me nuttig om in het kort de ontwikkeling van het Frans in de diplomatieke betrekkingen in herinnering te brengen.

1. Heel lang, van het einde van de 17e eeuw tot het midden van de 20e eeuw, was Frans de taal van de diplomatie.

Terwijl de Verdragen van Westfalen (1648) enkel in het Latijn werden opgesteld, werden bepaalde Verdragen van Nijmegen (1678) alleen in het Frans geschreven –dit is met name het geval voor het vredesverdrag tussen Frankrijk en de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën. In 1714 werd het Verdrag van Rastadt enkel in het Frans opgesteld-. Dit zou twee eeuwen lang zo blijven. Toch wordt er van 1714 tot 1763 in elk Verdrag steeds vermeld dat het gebruik van de Franse taal voor de tekst van het document geen precedent schept.

Het Verdrag van Parijs dat in 1763 een einde maakte aan de 7-jarige oorlog was het eerste verdrag waar deze formule niet meer gebruikt werd. Eind 18e eeuw sprak men reeds over het Frans als “universele taal”. Dit zou gedurende ruim een eeuw niet meer betwist worden. Ondanks de voorspoedige en minder voorspoedige momenten die Frankrijk als grote mogendheid kende, werd in het Frans onderhandeld en geschreven: in 1815 voor de akten van het Congres van Wenen dat een einde zou maken aan het Napoleontische tijdperk, en in 1871 voor het Verdrag tussen Frankrijk en Duitsland, of voor de Verdragen van Berlijn enkele jaren later.

Dit overwicht van de Franse taal kwam voort uit drie factoren:

- In de eerste plaats was er een taalkundige of historisch-taalkundige factor: vanaf de 16e en 17e eeuw loopt het Latijn terug als gemeenschappelijke taal, internationale taal en ook gewoon als levende taal. Aan het einde van de Renaissance wordt het Latijn een erudiete taal en weldra een dode taal. De dynamiek van de Franse taal daarentegen was in staat om de veranderingen en de innovaties van die tijd te weerspiegelen. Het is ook een “goed georganiseerde” taal, gestructureerd en snel tot een geheel gebracht: al in 1635 werd de Académie Française opgericht.

- De tweede factor is politiek: Frankrijk wordt ten koste van het Heilige Roomse Rijk (dat steeds meer het Latijn als “zijn” taal opeist) de eerste politieke, economische, demografische en culturele mogendheid van Europa en blijft dit 150 jaar. Dit gezag werd trouwens vaak aangewend tijdens allerlei soorten diplomatieke onderhandelingen: vredesverdragen, allianties, handelsverdragen etc.

- De derde factor ten slotte is van professionele aard: de nieuw aangeworven diplomaten waren geen geestelijken meer die het Latijn perfect beheersten, maar net als elders in Europa steeds meer militairen uit de adellijke stand die gewend waren in het Frans te communiceren of “ondernemers” uit de burgerij (de derde stand) die, voor wat betreft de inwoners van Frankrijk, beter Frans dan Latijn spraken.

De 19e en vooral de 20e eeuw, bevestigen echter de opmars van Amerika als mogendheid. Het is in het voordeel van de Verenigde Staten en hun taal dat het evenwicht op politiek, cultureel en technologisch gebied wijzigingen ondergaat. De VS zijn doortastend op taalkundig gebied: het Verdrag van Parijs van 1783 dat hun onafhankelijkheid erkent, dus hun verschijning op het wereldtoneel, wordt op hun verzoek in het Engels opgesteld. De Vrede van Portsmouth die in het kader van een Amerikaanse bemiddeling tussen Rusland en Japan wordt gesloten en die de Amerikaanse diplomatieke macht weerspiegelt, wordt daarentegen in twee talen opgesteld: Frans en Engels (het Frans is rechtsgeldig).

In 1919 verloopt de onderhandeling over de verdragen die het einde van de WO I regelen in het Engels. En de teksten zijn in beide talen rechtsgeldig. Want, hoewel de Vredesconferentie in Parijs plaatsvond, spraken Wilson en Lloyd George niet of slecht Frans, terwijl Clemenceau in de Verenigde Staten had gewoond en Engels sprak. Alles wordt dan officieel meertalig met een opmars van het Engels.

II Ik kom dus terecht bij het huidige systeem en bij de uitdagingen waarvoor het Frans wordt geplaatst als diplomatieke taal.

Zoals ik het in het begin van mijn toespraak heb benadrukt, is de situatie van de Franse taal in principe nog erg gunstig ten opzichte van andere talen die in de wereld gesproken worden: de Franstalige gemeenschap (zowel voor wat betreft mensen als taal) verenigt 200 miljoen mensen die de Franse taal als eerste taal gebruiken., en 300 miljoen mensen met Frans als tweede taal. Zeker, andere talen worden door meer mensen in de wereld gesproken zoals het Chinees, Engels, Hindi etc.

De Francofonie beslaat dus maar een deel van het taalkundig gebied in de wereld, maar onze taal is op alle continenten aanwezig en is trouwens de taal waarin wij het liefst onze cultuur overbrengen, in het bijzonder op juridisch gebied. Het lijkt dus essentieel een actief verdedigings- en aanmoedigingsbeleid te ontwikkelen voor de Franse taal binnen de VN.

-  rekening houdend met de plaats die het Frans momenteel feitelijk inneemt in de wereld moet de bevordering van de Franse taal aansluiten op de (meer omvangrijke) bevordering van taalkundige diversiteit: zodoende heeft Frankrijk samen met de Europese Unie in het kader van de UNESCO gepleit voor de ondertekening van een internationale overeenkomst op dit gebied.
-  Voor wat betreft het Frans als diplomatieke taal pleit Frankrijk natuurlijk voor het respect van de teksten die het statuut en de plaats van het Frans regelen. Via de Organisatie voor de Francofonie helpt Frankrijk diplomaten de Franse taal te gebruiken en ondersteunt het de kandidatuur van Franstalige diplomaten die bij internationale organisaties willen werken. De Francofonie overlegt ook samen met de andere grote taalgroepen: Portugees- Arabisch- en de Spaanstaligen. Wij moeten in het bijzonder letten op het aantal Franstaligen dat werkzaam is bij elke VN-instelling, en hun functie binnen de organisatie. Het is inderdaad nodig er zorg voor te dragen dat dit aantal genoeg is ten opzichte van het gehele personeel, maar ook dat zij een strategische functie krijgen ten aanzien van het algemeen beleid van deze instellingen. Zo is bijvoorbeeld in de internationale rechtspraak de rol van een griffier doorslaggevend voor de plaats die aan een werktaal wordt toegekend.
-  En ten slotte moeten wij vooral op het gebied van internationaal recht eveneens de bevordering van onze taal verbinden met de bevordering van het Romeins-Germaans rechtsysteem. Alle landen die door dit systeem worden geregeerd zijn bewust van het feit dat een verschuiving van het internationaal recht naar “alles Engels” op den duur de oppermacht van de Common Law betekent en het einde van een denkbeeld van het recht dat nu nog in veel landen op alle continenten geldt.

Dit laat goed zien –en ik wil hiermee besluiten - dat een taal meer is dan enkel een geheel van codes dat nauwkeurig omgezet kan worden in een andere taal: elke taal is drager van een rijke cultuur en maakt deel uit van ons gemeenschappelijk erfgoed. Dat is de reden waarom de strijd voor een taalkundige diversiteit het, denk ik, verdient om met vastberadenheid te worden geleid. Dit is geen achterhoedegevecht maar, integendeel, een noodzaak om de uitdagingen in de toekomst te kunnen trotseren in een wereld die een plek van culturele uitwisselingen en cultuurvermenging zal zijn, en die het steeds meer al is. "

gepubliceerd op 11/01/2010

naar boven