De overheidsdiensten [fr]

Fransen beschouwen de overheidsdiensten als een belangrijk aspect van het specifieke ontwikkelingsmodel waarmee ze vertrouwd zijn. Net als een aantal andere Europese landen, heeft Frankrijk na de Tweede Wereldoorlog een middenweg gekozen tussen de Sovjet-russische staatseconomie en het Amerikaanse liberalisme. Deze keuze betekende een belangrijke rol voor de Staat en de erkenning van gemeenschappelijke waarden. De nadruk kwam te liggen op sociale bescherming, planning en het nationaliseren van grote bedrijven. De waardering van dit concept ligt in dezelfde lijn. De ontwikkeling van de overheidsdiensten is in Frankrijk sterker dan in andere Europese landen en is kenmerkend voor de weg die de Fransen zijn ingeslagen.

Een flexibele en veelomvattende definitie

De term ‘overheidsdiensten’ verwijst in Frankrijk naar het totaal aan activiteiten van algemeen belang waarvan de verantwoordelijkheid, in welke vorm dan ook, bij de overheid ligt. De rechtspraak, de politie, het onderwijs, de preventieve gezondheidszorg, maar ook het railvervoer en de elektriciteitsvoorziening zijn overheidsdiensten.

Een overheidsdienst kan indien nodig worden toevertrouwd aan een particuliere onderneming. In dit geval spreekt men van het ‘uitbesteden’ van een overheidsdienst. Maar zowel de oprichting van de dienst als het vaststellen van de voorwaarden voor de organisatie en het functioneren gebeurt altijd op basis van een publieke beslissing.

De overheidsdiensten verschillen van winstgevende particuliere activiteiten in die zin dat ze allen volgens bepaalde belangrijke principes functioneren in dienst van het algemeen belang.

Het eerste principe is de continuïteit van de dienst. Een overheidsdienst moet, koste wat kost en onder alle omstandigheden verleend worden en mag nooit ‘dicht’ zijn. Maar het continuïteitsprincipe kan door het recht op staking in gevaar worden gebracht. Een steeds terugkerend debat in Frankrijk gaat over de vraag of, en hoe, bijvoorbeeld door een verplicht minimumaantal diensten in te stellen, het continuïteitsprincipe zowel als het recht op staking in de praktijk kunnen worden verenigd.

Het tweede principe is dat van de gelijkheid. Gelijkheid moet op twee manieren worden toegepast: gelijke toegang tot de dienst voor alle burgers, gelijke behandeling van alle burgers door de dienst. Het principe heeft een sociaal element (geen ongelijkheid op basis van sociale afkomst) en een territoriaal element (geen ongelijkheid tussen de regio’s).

De neutraliteit van de overheidsdiensten ligt in het verlengde van het gelijkheidsprincipe. Deze neutraliteit houdt in dat de leiding van de diensten geen onderscheid mag maken tussen gebruikers dan wel werknemers van de dienst op basis van politieke, filosofische of godsdienstige opvattingen. In het onderwijs maakt dit neutraliteitsprincipe deel uit van het ruimere begrip laïciteit

Het laatste principe is tenslotte het principe van veranderbaarheid of aanpasbaarheid. Dit houdt in dat de overheid de organisatie en het functioneren van de diensten voortdurend kan en moet aanpassen aan de nieuwe behoeften.

Men ziet dat de principes voor het functioneren van de overheidsdiensten soms meer weg hebben van op zichzelfstaande doelstellingen, dan van regels waar men zich daadwerkelijk aan houdt. Dit neemt echter niet weg dat deze principes van essentieel belang zijn. Ze getuigen van de hoge eisen die de Staat stelt aan de activiteiten die uit haar naam ondernomen worden.

Bron: Feuillets Images de la France, Jacques Fournier, 2001.

gepubliceerd op 23/01/2014

naar boven