Hedendaagse dans [fr]

De Franse hedendaagse dans ontstond in de vroege jaren ’80 en leidde tot een artistieke beweging die zich op een uniek vitale manier wereldwijd heeft verspreid. Namen die nu internationaal bekend zijn, zoals Philippe Decouflé, Angelin Preljocaj, Gallotta Joëlle Bouvier en Régis Obadia, en vele anderen, hebben bijgedragen aan opbouw en ontwikkeling van een choreografisch landschap dat zichzelf blijft vernieuwen.

Frankrijk heeft meer dan vijfhonderd dansgezelschappen. Negentien nationale choreografische centra worden geleid door kunstenaars en zijn deel van één van de meest veeleisende vormen van live performance. Het Centre National de la Danse, in Pantin, is een broeinest van ondersteuning en promotie van dans in al zijn vormen geworden.

De boom van de jaren ‘80

Het ontstaan van de Franse hedendaagse dans gaat terug tot de vroege jaren ‘80. Nieuwe bewegingen werden geboren die het verleden en de klassieke dans doen vergeten. Dans wordt een verwoestende vrijheid toegewezen die open staat voor vernieuwing. De dansscène krijgt een politieke kleur met de komst van François Mitterrand en de benoeming van Jack Lang als minister van Cultuur, die deze kunstvorm ondersteunt en versterkt met de opening van nationale choreografische centra en het subsidiëren van choreografen.

In Frankrijk komen choreografen op als Dominique Bagouet, Jean-Claude Gallotta, Régine Chopinot, Daniel Larrieu, Angelin Preljocaj... Een explosie van beweging, gevoel, verlangen, kleuren, muziek… Deze choreografen ontwikkelen op een unieke manier nieuwe universalia, obsessies en thema’s. Een groot deel van de choreografen heeft nooit les gehad in klassieke of moderne dans. Sommigen, zoals Gallotta, komen uit de beeldende kunst, of, zoals François Verret, uit de architectuur. Daniel Larrieu volgde op 16-jarige leeftijd nog een opleiding in landschapsarchitectuur. Wat deze atypische persoonlijkheden gemeen hebben: de wens om bewegingen te creëren die alleen zij kunnen bedenken, en die nu symbool staan voor de enorme energie van de jaren ’80.

Identiteit

Onder de meest karakteristieke stukken die in de vroege jaren ’80 zijn verschenen, moet met beslist die van Dominique Bagouet (1951-1992) noemen, wiens ongewone en subtiele manier van schrijven, waarbij klassieke dans wordt gemixt met volksdansen, een fantasierijk feest is om te bekijken. In 1981 wint Regine Chopinot, die haar gezelschap in 1978 opricht, de Prix de Bagnolet met het energieke Halley’s Comet. In 1979 richt Jean-Claude Gallotta zijn gezelschap op, genaamd de Groupe Emile Dubois: een groep vrienden uit verschillende disciplines, waaronder de danseres Mathilde Altaraz. Hij bevestigt zijn talent in 1981 met “Ulysse”, een ‘ballet blanc’, waarbij de lijnen van jong elan elkaar kruisen.

Allemaal werpen ze opgewonden dansers het podium op, vol elektriciteit en enthousiasme... en allemaal verschillend. De hedendaagse dansers steken af bij de conventionele dansers met hun onberispelijke profielen. Er zijn grote, dikke, kleine dansers en dansers van gemiddelde lengte. Sommigen hebben geen techniek of vaardigheid. Het maakt niet uit. Allemaal hebben ze het verlangen, de oprechtheid van een gebaar, door ieder van hen gedragen van binnenuit. Het leven is leidend voor het spel en de dans.

De choreografen laten de klassieke ballettechniek links liggen en grijpen naar andere verhalen die explosiever zijn, soms abstracter, soms alledaagser, en altijd toegepast op het bewegende lichaam. Ze proberen iets nieuws uit te beelden en vinden hier manieren voor in de privacy van hun studio.

De beweging ontstaat uit het diepste van het lichaam en de geest van de artiesten. Hedendaagse dans is de kunst van het onderbewuste, dat samenwerkt met het onderbewuste van de toeschouwers. Op een conflictueuze manier neemt het de gebeurtenissen in de wereld in zich op en stelt het de uitdagingen aan de kaak.

De clash van de jaren ’90

In het midden van de jaren ’90 rebelleren Régine Chopinot, Philippe Decouflé, Jean-Claude Gallotta en vele anderen tegen de “belle danse” van de jaren ’80. Ze keren zich ook tegen het spectaculaire, de virtuositeit, en de luxe van sommige producties... Er ontstaat een soort dans die we "non-dance", "conceptuele” of "visuele" dans noemen, die alle codes breekt. Namen als Jérome Bel, Boris Charmatz, Emmanuelle Huynh, Alain Buffard, Christian Rizzo staan bovenaan de affiches. Ze zeggen "nee"!

"Nee" tegen het gemak van een gebaar, tegen decors, tegen kostuums, lichteffecten, muziek… De voorstelling van Jérôme Bel in 1995, in het Théâtre de la Bastille in Parijs, kan gezien worden als een manifest. Twee naakte dansers, een naakte zangeres die een Sacre du Printemps a capella zingt, een kleine gloeilamp als enige verlichting… Ze spellen hun essentiële codes (achternaam, voornaam, maten, bankrekeningnummer, geldbedragen…) terwijl ze zenuwachtig in hun lichaam knijpen. Jérôme Bel laat duidelijk merken dat het hem niet lukt om zijn been op te tillen, om bewegingen als parels aan elkaar te rijgen… Hij stelt ook één van zijn favoriete thema’s aan de kaak: identiteit.

Deze vraagtekens die worden geplaatst bij alle facetten van de opgevoerde dans, zorgt voor een verschuiving. Duisternis neemt het podium over – Emmanuelle Huynh creëert Mua (1994), een solo in het donker – beweging komt tot stilstand. Dansvoorstellingen beginnen meer te lijken op installaties of performances.

Boris Charmatz, die in 2008 wordt benoemd tot directeur van het Centre Choréographique van Rennes, besluit om dit centrum het Musée de la Danse te noemen. Op de kruising tussen dans, schrift, beeldende kunst en pedagogiek, noemt hij deze plek een “nomadisch idee, dat zich kan verplaatsen, en onderdak kan bieden aan tijd, leegte, toespraken, mensen, politiek, discussies, kunstwerken en fantasieën…”.

De grote mix van de jaren 2000

De “non-dans” heeft het choreografisch landschap aanzienlijk veranderd en heeft de weg vrijgemaakt voor het ontstaan van nieuwe vormen. Maar het heeft ook de uitvinding van beweging zo vastgezet dat het risico van verlamming op de loer ligt. Tegelijkertijd zijn choreografieën geworden tot kruisingen van meerdere praktijken, met tekst, beeldende kunst, video, circus, poppen... Met het risico dat ze soms een vergaarbak worden die in niets meer lijken op dansstukken.

Dans wordt een opwindend laboratium dat alles aandurft, tot aan het laten verdwijnen van dansers in de duisternis, of ze te vervangen door robots. De “grote mix” is geworden tot de norm op het podium. Multimediale, multidisciplinaire, hybride, trans-disciplinaire voorstellingen floreren.

De revival van de jaren 80

De omwenteling van de conceptuele dans zorgde echter voor een terugloop van het publiek. Het opschudden van een teleurstellende kunstvorm, waarom niet, maar het averechtse effect ervan is volgens sommige kijkers “teleurstelling, frustratie en oplichterij”. Is dat de reden waarom aan het einde van de jaren 2000 de stukken uit de jaren 80 weer terug lijken te komen? Waarschijnlijk. Pudique acide/Extasis (1984), in 2011 in elkaar gezet door Mathilde Monnier en Jean-François Duroure, Daphnis en Chloé, en terug in het zadel gezet door Jean-Claude Galotta, kent vanaf 2011 een groot succes. Het plezier en de vrijheid van het dansen, de vrijheid van het choreografische uitvinden, de diepe noodzaak van elke beweging, zorgt ervoor dat het publiek weer trouw wordt. Het optimisme, het geloof in de toekomst en de liefde voor de ander, die ook in de jaren 80 de choreografieën bezielden, raken de kijkers in een context van crisis en individualisme.

Vrij vertaald naar het Nederlands vanuit een Franstalige tekst van Rosita Bouisseau, Franse journalist en recensist, gespecialiseerd in dans. Oorspronkelijke tekst

gepubliceerd op 16/06/2017

naar boven